Voor het gebruik van de gedichten op deze site is toestemming gevraagd aan de uitgevers. Overname, verveelvoudigen en/of openbaar maken door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbenden op het auteursrecht is verboden.

Fragmenten uit Drie heldenzangen; zang 1, zang 2 en zang 3.

Zing mij o muze op houthoudend naoorlogs papier
het hexametrisch gerochel der helden

zing mij o muze de ovens die onder zeus' blinddoek
de tinnen soldaten als vlees deden smelten en schenk mij
het bevende glaasje het waterdicht uurwerk de kracht
mij het oog uit te rukken dat zag
hoe de luizen als mensen verkoolden -

-
In de taal staat er
je ligt aan een vredig water
in de taal staat er
dat de taal ophield met noemen
dat er iets naderde dat de taal
nacht placht te noemen toen de taal
nog van licht sprak
-
Daags voor de vrede zond onze almachtige
vader majoor mij en zes anderen de dood
de stille nacht in
naar de zo goed als verslagen vijand

zeven verkenners op de grens van haast alles:
oorlog, vlees, leven, lopend door mist in een hinderlaag:
ik alleen bleef als door een wonder gespaard

zij werden ter plaatse begraven
onder hen mijn onafscheidelijke maat van vier jaar loopgraven

een half jaar later, inmiddels voorjaar, ik studeerde
menskunde in de stad, dronk ale,
vrat biefstukken dames, kwam zijn vader, zei:
jij leeft nog, jij was zijn maat, jij weet waar hij ligt begraven,
dus help mij hem opgraven,
het is natuurlijk verboden, maar hij hoort bij ons thuis,
in de tuin

nu ja, wat doe je, ik deed het, ik groef hem op
met zijn vader, becijferde hem aan zijn plaatje, hij hing
uit elkaar, een weke lauwwarme massa,
mijn hand schoot polsdiep in zijn lichaam,
schrok van het materiaal dat onzinnig een gat waarmaakte

na de begrafenis, illegaal in zijn eigen aarde,
zat ik in hun huiskamer met moeder en zuster, vader,
drinkend een glaasje tranen,
pratend rond zijn jongensportret

ach, het was voorjaar, in de tuin
waar wij hem hadden begraven ruiste de plataan,
die boom die handen maakt,
iets volmaakts was er,
iets afgemaakts eindelijk,
ook de maan leek wel nieuw, en zijn vleselijke zuster
hing aan mijn lippen, zat einde april
in een krap lichaam,
de ribes stonk aards
en mijn hand raakte haar borsten aan, mijn hand
raakte haar borsten aan
en het was dezelfde lauwwarme massa,
dezelfde weke lauwwarme massa,
hetzelfde materiaal
maar hetzelfde,
en het was deze zelfde hand,
deze

Gerrit Kouwenaar - uit: Volledig volmaakte oneetbare perzik, Amsterdam, 1978.
Fragmenten uit Drie heldenzangen; zang 1, zang 2 en zang 3.


Voor het gebruik van de gedichten op deze site is toestemming gevraagd aan de uitgevers. Overname, verveelvoudigen en/of openbaar maken door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbenden op het auteursrecht is verboden.