Voor het gebruik van de teksten op deze site is toestemming gevraagd aan de uitgevers. Overname, verveelvoudigen en/of openbaar maken door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbenden op het auteursrecht is verboden.

Bekentenis

Belcampo. Bevroren Vuurwerk. Querido, 1963. Verkorte versie door Henk van Ulsen

Ik moest met de trein naar Amsterdam. Precies op tijd kwam de zware metalen reeks voor het stationnetje van mijn geboorteplaats tot stilstand. Het stadje is zo klein, dat het geknars van de remmen door alle inwoners gehoord werd, ook door mijn vader en mijn moeder. Nou is onze jongen al dertig jaar, zouden ze denken, en nog dobbert hij als een stuk wrakhout op de oceaan des levens. - Mijn vader is dominee en houdt van dergelijke beeldspraak. - Ja ouders, dacht ik nog even, terwijl ik over het eerste spoor stapte, zeg het gerust, als een stuk rottend hout beschouwt gij uw zoon, maar blind zijt gij voor het wonderlijke licht, dat van zo’n stuk rottend hout kan uitgaan.

Toen ik het portier geopend had, bleef ik verlamd staan.
Ik zat er al.
Ik was al ingestapt.
Daar in de hoek, zat ik.
Ik hoefde dus niet meer in te stappen.
Langzaam sloot ik het portier weer en bleef aan het perron genageld.
Maar daar voelde ik in mijn hand m’n kaartje.
Dus ik reisde zonder kaartje!
In een oogwenk was ik weer in de trein, die meteen vertrok, en bevond me tegenover mezelf en alleen met mezelf.
Ik durfde geen woord te spreken, nauwelijks durfde ik te gaan zitten.
Ik keek mij aan en ik keek mij aan.
Het kon niet anders: hetzelfde trotse voorhoofd,
dezelfde klare en toch mild indringende ogen,
de nemende mond van mijn moeder,
de echte ruikneus van mijn vader
en daarbij mijn slanke en toch krachtige gestalte met de iets te grote handen.
En daar - dezelfde misvormde duim, die ik als jongen…
De noodrem! Waar?

Zat er maar een monster, een wild beest, maar het was ikzelf die me daar zat aan te staren, ikzelf. En de trein reed verder en er gebeurde niets.
En ik haalde adem en ik was dus niet dood en ik was ook zichtbaar, want hij zag mij.
Herman, zei ik, je kaartje?
Hij haalde, precies op dezelfde wijze als ik het gedaan zou hebben, een kaartje tevoorschijn: Ik heb al een kaartje.
Hij had al een kaartje! Hij had ook andere kleren aan dan ik, dat zag ik nu pas, eleganter.
Wij lijken erg veel op elkaar, zei hij.
Zijn wij dan niet - elkaar?
Hij glimlachte.
Neen, ik ben heel duidelijk mezelf.

Onze gelijkenis geeft ons het recht elkaar te ondervragen, hernam hij met kalme welwillendheid.
Lang 1,79, riep ik uit, taille 82, schoenen 42, boord 15¾!
Klòpt! zei hij, we zouden inderdaad precies ik elkaar passen. Laten we zien of ons innerlijk net zo overeenstemt. Wat ben jij, wat doe jij?
Ja! riep ik in vuur en ik stelde mij op met de rug tegen de coupédeur.
Luister. Ik geloof niet dat mijn verschijnen hier op aarde het resultaat was van een doelbewuste opzet, nee, ik heb het gevoel, dat ik me ondanks alles een weg heb moeten breken naar het levenslicht. Als een mens denkt, dat hij hier hoort, dan vindt hij het ook niets bijzonders, dat hij hier is.
Maar als je denkt, dat je hier niet hoort, dan vind je het prachtig dat je er tòch bent. Maar
er is ook altijd verlatenheid bij, daar zorgen de mensen wel voor.
Maar ik werd groter en ik zag de leegheid der kudde en het niet ingelijfd zijn bij de kudde ondervond ik als lust. Hun godsdienst vond ik vervelend en hun wetenschap zinloos; het enige wat ik aan hen kon waarderen, waren hun vrouwen. De vrouwen der mensen hebben mijn verlatenheid zachter gemaakt en mijn trots versterkt.
Toen ik van ’t platteland in de stad kwam, bleef ik dezelfde. En zo is het ook met mijn beroepen; ik houd van bijna alle beroepen maar geen enkele kan mij boeien.
Maar daardoor heb ik niets wat mij eigen is en het verlangen daarnaar wordt steeds sterker.
Op het ogenblik ben ik reiziger in vuurwerk.
Als jongen mocht ik altijd het grote vuurwerk afsteken op Koninginnedag; daardoor heb ik er een beetje verstand van gekregen. Dat is natuurlijk wel aardig, maar voor iemand die naar een vrouw en kinderen verlangt…

Hou op, hou op! riep mijn reisgenoot; Ik hèb een vaste positie, in hèb een vrouw en twee kinderen, ik woon al zes jaar in hetzelfde huis, je bent gèk dat je daarnaar verlangt.
Zoals jij geleefd hebt, zo wilde ik leven, maar mijn liefde voor de vrouw, waar ik nu mee getrouwd ben, was te groot, heeft me overrompeld. Maar dat offer is te groot en dat merk je pas op den duur.
Praat een man met zijn vrouw, hij praat met een stuk van zichzelf,
kijkt hij naar zijn kinderen, hij kijkt naar stukken van zichzelf,
komt hij zijn huis binnen, hij komt in een stuk van zichzelf;
een getrouwd man draait de hele dag in een kringetje rond en dat vind je een tijdlang erg prettig, maar als je ‘t in de gaten krijgt is er geen houden meer aan en al mijn vroegere neigingen stormen tegenwoordig op mij af als monsters.
Jij, jij hebt geleefd, maar ik heb gedraaid als een tol en dan is het bitter om te zien, hoe een ander jouw dromen tot werkelijkheid heeft gemaakt.
Ik ben er nu een weekje tussenuit gebroken,
ik ben gemeenteontvanger in Hengelo.

Maar houd je dan niet van je vrouw en je kinderen?
Neen, zei hij, want ze hebben mij van mijn leven beroofd. Ze zijn lief genoeg. Kijk, dit zijn ze. En hij reikte me een foto van zijn gezin aan!

Het was of er stralen vuur door mijn aderen schoten. Een vrouw met een gezicht om in aanbidding voor neer te knielen en twee kinderen, die àlles beloofden. Dáárvan kon deze man het middelpunt zijn en dat wilde hij niet meer.
Wie van deze mensen niet houdt, vind ik een stomme idioot, zei ik, en gaf de foto terug.
Wie een leven, zoals jij het leidt, de rug wil toekeren, vind ik een stomme idioot, was zijn prompte antwoord.
We gingen ieder uit een raampje hangen; onze coupé was net Janus met het dubbele aangezicht.
Ik was niet meer tevreden. Op de hele wereld geen enkel paar vrouwenarmen waarin ik me echt thuis voelde. En daar achter mij, daar stond de ellendeling, die dat versmaadde als een rotte appel.
Ik bleef hardnekkig naar het landschap kijken. Mannen maaiden gras, koeien lieten zich melken, wolken dreven over.
Opeens nam hij mij bij de schouders, draaide mij om, keek mij lang en doordringend aan: ik doe een voorstel; jij wilt een vrouw, een huis en een baan, neem de mijne; ik wil zwerven, laat mij jouw bestaan overnemen. Niemand zal het merken.
Ik zette mij op de bank, ten prooi aan de meest uiteenlopende gevoelens.
Ja, ik moest het erkennen, het was een geniaal voorstel. Dat men het merken zou was absoluut uitgesloten; wij keken er elkaar nog eens goed op aan. Innerlijk juichte ik; als ik dit voorstel niet aannam, was ik wel de allergrootste idioot.
De tijd die ons nog restte, besteedden wij met elkaar zo goed mogelijk op de hoogte te stellen van ieders levensomstandigheden. In een toilet van het station verwisselden wij van kleren, een paar opvolgende avonden hadden wij nog lange conferenties in het Vondelpark: er was heel wat voor nodig voor we zover waren.
Met de afspraak dat we precies over en jaar weer op dezelfde plek zouden samenkomen, scheidden wij.

Ik kan mijn ontroering niet beschrijven, toen een week daarna een vrouw, die ik nog nooit in mijn leven gezien had, mij als haar man begroette en twee mij totaal onbekend kinderen tegen me opklommen en pappie, pappie! kraaiden. Ik wist me goed te houden en paste mij aan. Zij was een mooie verstandige vrouw en ze had me werkelijk lief; ik was een modelvader. Het ontvangersbaantje was voor mij een peulenschil, wij waren allemaal gelukkig. Mijn grootste beloning was dat ze eens, toen de kinderen al naar bed waren, op mijn schoot kwam zitten, me door de haren streek en zei: Wat heeft dat reisje je toch goed gedaan Herman, weet je wel dat het soms net is, alsof we weer in onze eerste huwelijksjaren zijn?
Toen was ik ruim acht maanden bij haar. Mij ontbrak niets, ik was volmaakt gelukkig.

Maar naarmate het jaar ten einde liep, zakte mijn geluk. Het schijnt dat men niets in zichzelf goed dood kan krijgen, ik tenminste niet. Als ik vanuit mijn kantoor een verhuisauto door het dorp zag rijden, was mijn dag verpest. Ik liet niets merken, maar het ontging haar en de kinderen toch niet, dat ik niet meer zo gelukkig was als in ‘t begin. En toen de tijd daar was, vroeg ze me uit zichzelf, of ik er niet weer eens een week tussenuit wou. Opgelucht ging ik weg, maar toen ik de eerste woorden van mijn dubbelganger hoorde op de afgesproken plek, was het of alle last van me afviel. Hij was het zwerven moe en verlangde weer naar huis.

En zo houden wij het nu al jaren. Elk jaar wisselen wij de rollen om en wij allen varen daar wel bij. In het ontvangershuis in Hengelo wordt geen onvriendelijk woord meer gehoord; het aantal kinderen is ondertussen gestegen tot zes.
En het merkwaardigste van al deze omwisselingen is: Hier zit ik nu; geen van u allen weet, wie van ons beiden ik ben -
Ik weet het zelf ook niet meer.