String
and winds; In het spoor van de meester
Een programma van Tsjechische meesters waarin
het Hexagon Ensemble samenwerkt met het Matangi Kwartet
De nationalistische beweging die in de tweede helft
van de negentiende eeuw in diverse landen opgang deed vond in Oost-Europa
in Antonin Dvorák een van zijn grootste voortrekkers. De
Tsjech gaf in zijn eentje het goede voorbeeld en wees vele componisten
na hem de weg naar een integratie van elementen uit de volksmuziek
in de kunstmuziek. Zijn ideeën gaven een enorme impuls aan
de Oosteuropese kunstmuziek die sinds Dvorák een heel eigen
vorm en klank heeft gekregen.
Dvorak,
arr. Hans Eijsackers |
|
Bagatellen
op. 47 (1878)
(fluit - hobo - klarinet - fagot -
hoorn - viool
1 - viool 2 - altviool - cello
- piano) |
 |
 |
 |
| Novak |
|
Balletti
a 9 (1955)
(fluit - hobo - klarinet - fagot -
hoorn - viool 1 - viool 2 - altviool - cello) |
 |
 |
 |
| Martinu |
|
Sextet
(1929)
(fluit - hobo - klarinet - fagot -
hoorn - piano) |
 |
 |
 |
| Janacek |
|
Concertino
(klarinet - fagot - hoorn - viool 1
- viool 2 - altviool - cello) |
Dvorák
Antonin Dvorák ( 1841-1904) slaagde er in al zijn composities
in zijn muziek zowel onmiskenbaar Tsjechisch als ook bij de tijd
te laten klinken. Met schitterende melodieën, meeslepende ritmiek
en een immer boeiende vormgeving wist hij de wereld voor zijn muziek,
en dus ook voor de Tsjechische muziek te winnen. De Bagatellen op.
47 voor twee violen, cello en harmonium uit 1878, hier uitgevoerd
in een prachtige bewerking voor blaaskwintet, piano en strijkkwartet,
vormen een vroeg schoolvoorbeeld van Dvoráks kunst. Ze ontstonden
nagenoeg tegelijkertijd met het werk waarmee Dvorák doorbrak
naar een groter publiek, de Slavische Dansen op 46. Met deze Slavische
dansen hebben de vijf Bagatellen hun ritmische stoerheid gecombineerd
met die enorme melodische verleidingskracht gemeen.
Novak
Hoezeer Dvorák de richting van de integratie van de Tsjechische
volks- en kunstmuziek aangaf mag blijken uit het feit dat de zeventien
jaar na Dvoraks dood geboren Jan Novak (1921-1984) in zijn bekendste
werk, de Balletti a 9 uit 1955, eigenlijk niets anders doet dan
zijn grote voorganger. De basis van de Balletti wordt gevormd door
van de Tsjechische folklore afgeleide dansritmes en primair tonale
en volksmuziekachtige melodieën. Waar Novak zich onderscheidt
is in het zeer subtiele gebruik van klankkleur als vormgevend element.
Het is in dit opzicht dat de Tsjech de invloed verraadt van zijn
landgenoot Bohuslav Martinu die in New York (de wereld is klein)
korte tijd zijn docent en tot Martinu's dood in 1959 Novaks belangrijkste
mentor was. Na de communistische invasie van 1968 besloot Novak
zijn land te verlaten en als banneling de rest van zijn leven in
West-Europa te slijten, maar de mzuiek van zijn vaderland bleef
tot het einde toe in zijn werk hoorbaar.
Martinu
Dat geldt ook voor zijn leermeester Bohuslav Martinu (1890-1959)
die een groot deel van zijn leven buiten Tsjechië sleet. Hoewel
hij de invloeden van muziek buiten zijn vaderland gretig absorbeerde,
bleef hij in hart en nieren een Tsjech. Dat is ook hoorbaar in het
Sextet dat hij in 1929 schreef in Parijs. Daar was hij in 1923 heen
gegaan om te studeren bij Albert Roussel. Martinu experimenteerde
veel met elementen uit de jazzmuziek die hij wilde laten vervloeien
met zijn eigen muzikale taal. Een van de vruchten van deze experimenteerdrift
was het Sextet voor blaasinstrumenten en piano, een luchtig, geestig
en swingend werk in vijf delen met een opvallend derde deel voor
fluit en piano. Hoewel het Sextet erg succesvol bleek, stond Martinu
er altijd erg ambivalent tegenover. Bijna dertig jaar later, vlak
voor zijn dood verzuchtte hij nog: 'Ik heb altijd gehoopt dat de
partituur verloren zou raken en dat het nooit meer gespeeld zou
worden.'
Belangrijker dan de jazzinvloeden is Martinu's gebruik van ritme
en melodie geënt op de Tsjechische spraak. Hij nam hiermee
het estafettestokje over van Leos Janacek die als eerste elementen
geïnspireerd door de tongval van zijn geboorteland in zijn
composities verwerkte.
Janacek
Janacek (1854-1928) geldt als de belangrijkste erfgenaam van Dvorak.
Net als Dvorak, zijn vriend en grote voorbeeld, integreerde Janacek
de Tsjechische volksmuziek in zijn werk. Door ook de Tsjechische
taal te bestuderen ging Janacek nog een stap verder. Toch duurde
het nog tot Janacek over de zestig was, eer hij in staat was om
aan de spraak ontleende motieven ook in zijn instrumentale werk
een vooraanstaande rol te laten spelen. Tussen 1921 en 1928 schreef
hij in rap tempo een opmerkelijk instrumentaal oeuvre bijeen waaronder
de twee strijkkwartetten, de Sinfonietta, Mladi en ook het opvallende
Concertino voor piano, strijkers en blazers uit 1925. Janacek borduurde
met het Concertino voort op het gevoel van jeugdigheid dat hij in
Mladi had verwerkt en steeg met zijn op spraak gebaseerde motieven
- kortademig, veel toonherhaling, modaal en aaneengeregen in onregelmatige
fraseringen - andermaal tot grote hoogte.
Paul Janssen