Programma
The German Connection
Een concert met grote werken van kleine meesters.
August Klughardt, Carl Reinecke en Ludwig Thuille zijn immers niet
de eerste namen die opkomen als men denkt aan Duitse componisten
aan het einde van de negentiende eeuw. Zij hadden de pech te leven
in een eeuw met grote namen die hun stempel drukten op de Duitse
muziekhistorie. Schumann, Mendelssohn, Brahms, Wagner, heersten
op het wereldpodium van de muziekgeschiedenis. Maar ondertussen
speelden de 'mindere' goden een belangrijke rol in het plaatselijke
muziekcircuit, schreven ze werken naar behoefte van de uitvoerenden
en stegen ze af en toe boven zichzelf uit naar het niveau van de
allerbesten.
| August Klughardt |
|
Quintett
(1900)
(fluit - hobo - klarinet - fagot -
hoorn) |
 |
 |
 |
| Carl
Reinecke |
|
Trio
in bes opus 274 (1905)
(klarinet - hoorn - piano) |
 |
 |
 |
Ludwig Thuille
|
|
Sextett
(fluit - hobo - klarinet - fagot -
hoorn - piano) |
 |
 |
 |
Klughardt
August Klughardt (1847-1902) studeerde in Köthen en Dresden
en werd in 1869 Hofkapellmeister aan het hof van Weimar. Daar raakte
hij bevriend met Franz Liszt en via Liszt weer met Richard Wagner.
Vooral dankzij deze componisten raakte Klughardt geïnteresseerd
in de nieuwe wegen van de Duitse muziek en knipoogde hij vooral
in zijn opera's naar de stijl van Wagner. Toch bleef Klughardt in
de aard een conservatievere componist die vooral in zijn kamermuziek
dichter bij Schumann dan bij Liszt stond. Uiteindelijk hebben slechts
een paar van zijn werken de tand des tijds doorstaan: de Schilflieder,
zijn Vioolconcert en bovenal het Blaaskwintet opus 79. In dit kwintet
dat hij in 1900, kort voor zijn dood in 1902, schreef is ondanks
de klassieke vierdelige opzet de invloed van Liszt wel waarneembaar.
Klughardt toont zich een meester in de beheersing van het instrumentarium
en weet in elk deel vanuit het begin met één enkel
instrument een rijkdom aan klanken en kleurcombinaties op te bouwen.
Reinecke
Carl Reinecke (1824-1910) is van onschatbare waarde geweest voor
de Duitse muziekcultuur. In zijn jonge jaren reisde Reinecke vooral
als zeer begaafd pianist door Europa. Zijn gestaag groeiende reputatie
leverde hem in 1860 een aanstelling als pianodocent aan het Conservatorium
van Leipzig op. Daar werd hij in 1897 benoemd tot directeur. Met
zijn vermogen om de juiste docenten aan te trekken en zijn conservatieve
inslag die zich uitte in zeer gedegen lesmateriaal waarin veel aandacht
gereserveerd werd voor componisten als Palestrina en Bach, wist
Reinecke het Conservatorium van Leipzig om te toveren tot een van
de meest invloedrijke van Europa. Als componist was Reinecke van
minder belang, al hebben zijn piano-oefeningen en -sonatines menig
jonge toetsenist op weg geholpen.
Reinecke schreef veel 'Hausmusik', pretentieloze muziek voor de
huiselijke kring. Een deel van zijn kamermuziek ontstijgt deze categorie
echter glansrijk. Het Trio opus 274 uit 1905 behoort ondanks zijn
conservatieve inslag - invloeden van Mendelssohn en Schumann - zelfs
tot de betere kamermuziek uit de tweede helft van de negentiende
eeuw.
Thuille
De Oostenrijker Ludwig Thuille (1861-1907) was gedoemd om in de
schaduw te blijven van zijn goede vriend Richard Strauss. Toch speelde
hij een buitengewoon belangrijke rol in de muziekcultuur van München,
waar hij in 1879 terecht kwam om te studeren bij Joseph Rheinberger.
Thuille zou de stad niet meer verlaten en was rond de eeuwwisseling
zeer invloedrijk als docent theorie en compositie aan de Königliche
Musikschule waar hij onder anderen Ernst Bloch, Walter Braunfels
en Herman Abendroth tot zijn leerlingen mocht rekenen. Door de gedegen
scholing van Rheinberger was Thuille gekneed tot een aartsconservatief
en formeel componist. Slechts dankzij Alexander Ritter en Richard
Strauss waagde hij op operagebied stappen in de richting van Wagner.
Het meeste succes als componist had hij echter in een genre dat
door de meeste componisten rond München verwaarloosd werd,
de kamermuziek. Zijn Sextet op. 6 voor blazers en piano uit 1889
was direct een groot succes. Logisch; de sfeer, de ingetogen lyriek
en de instrumentale beweging liggen dicht bij de kwaliteiten van
het Sextet van Brahms. De prachtige blazerspartijen en de opmerkelijke
pianopartij, bij de première in 1889 door de componist zelf
gespeeld, maken van dit Sextet een groots kamermuziekwerk dat terecht
nimmer van het repertoire verdwenen is.
Paul Janssen
|
|