english font home contact sitemap search
           
Over The Russian Connection


Eén Russische traditie in drie generaties componisten

Het meest substantiële werk op deze cd, Rimski-Korsakovs Kwintet in Bes, past nog helemaal in het Rusland van 'vadertje tsaar'. Het Divertimento van Paul Juon ontstond eveneens vóór de Russische revolutie. De werken van Ippolitov-Ivanov en Vasilenko werden gecomponeerd in de eerste decennia van het Sovjet-bewind. Ook in cultureel opzicht was de vestiging van dat regime een keerpunt, zodat het lijkt dat de vier werken op deze cd uit twee verschillende werelden komen. Hoewel de politiek-culturele veranderingen zeker niet aan Ippolitov-Ivanov en Vasilenko voorbij gingen is de continuïteit aanmerkelijk groter dan je zou verwachten. De belangrijkste verklaring hiervoor is te vinden in het behoudende idioom van laatstgenoemde componisten. Een andere factor is het feit dat we hier te maken hebben met een sterke traditie, die moeilijk te breken was en die later bovendien politiek bruikbaar bleek. Op deze cd wordt die traditie belichaamd in een fraaie stamboom van componisten. Rimski-Korsakov was de leermeester van Ippolitov-Ivanov, die op zijn beurt weer leermeester was van Vasilenko. Paul Juon zou je, hoewel ze een andere stijl hadden, een verre muzikale neef van Vasilenko kunnen noemen. De twee waren niet alleen precies even oud - beiden werden geboren in maart 1872 - maar ze studeerden in dezelfde tijd aan het conservatorium in Moskou.

Het werk van Nicolai Rimski-Korsakov (1844-1908) valt in verschillende perioden uiteen. In de jaren vóór 1873 legde hij zich vooral toe op het schrijven van symfonische muziek. Rond 1878 begon hij met het componeren van een indrukwekkende reeks opera's. De vijf jaren daar tussen leverden weinig meer op dan enkele pianowerken, een strijksextet en het kwintet dat op deze cd te beluisteren is. Kort voor het begin van deze periode was Rimski-Korsakov in 1871 benoemd als docent in instrumentatie en compositie aan het conservatorium in Petersburg. Het was een benoeming op krediet, want Rimski had op theoretisch gebied nog veel te leren. Dat hij zich hiervan bewust was blijkt uit zijn werk in deze jaren, zoals de vele fuga's voor piano. Het Kwintet dankt het ontstaan aan een compositiewedstrijd, waar de componist in 1876 aan deelnam. In de Kroniek van mijn muzikale leven beschreef Rimski enigszins zuur hoe niet hij tot winnaar werd uitgeroepen maar de inmiddels vergeten Napravnik. De jury-leden lieten de ingezonden werken van blad spelen. Het winnende trio was prachtig à vue gespeeld door een ensemble met de legendarische pianist Leschetitzky. Het Kwintet kwam in handen van musici die zo slecht van blad lazen dat de uitvoering werd afgebroken. Meer succes had het Kwintet kort daarop bij een uitvoering in Sint Petersburg.

Het openingsdeel valt met de deur in huis door de krachtig ritmische beweging die je gelijk pakt. Het eerste deel is in sonatevorm, met naast het stuwende openingsmotief een tweede vloeiender thema, voor het eerst gebracht door klarinet, hoorn en fagot. De contrasterende werking van beide thema's had Rimski vermoedelijk in gedachten toen hij over dit deel in zijn memoires opmerkte dat het geschreven was in de stijl van Beethoven. Een wervelende coda sluit het deel even energiek af als het begon. Het middendeel wordt door de hoorn ingezet met een solo, die door de andere blazers wordt overgenomen. Halverwege het langzame deel is een fugato voor de blazers. Net als met de fuga's voor piano uit dezelfde tijd wilde Rimski hier wellicht zijn vakmanschap mee tonen. Hij was er in elk geval zo tevreden over dat hij deze passages met nadruk in zijn memoires noemt. Met een vrolijkheid die herinnert aan het openingsdeel gaat de dartele beweging van het Rondo van start. Elk van de musici, behalve de fagottist, krijgt in dit deel de kans te schitteren in vier korte soli, die van elkaar gescheiden zijn door arpeggio's in de piano.

In de tijd waarin Rimski werkte aan het kwintet publiceerde hij twee bundels met Russische volksliederen. Folkloristische kleuren zouden één van de opvallendste kernmerken van zijn werk worden. Juist in de tijd waarin Rimski hiermee sterk bezig was, kreeg hij Michael Ippolitov-Ivanov (1859-1935) als compositie-leerling. Dat Ippolitov-Ivanov zich de ideeën van Rimski goed eigen maakte, bleek al spoedig in de folkloristisch getinte ouverture Yar-Kmel uit 1883. Na zijn studietijd werkte Ippolitov-Ivanov een tijd in Georgië, waar hij zijn kennis van de volksmuziek verdiepte. In 1893 ging ook hij compositie doceren en wel aan het Moskouse conservatorium, waarvan hij in 1905 directeur werd. In Moskou componeerde hij in 1894 de Kaukasische Schetsen, die veruit zijn bekendste werk werden. Na de revolutie behield Ippolitov-Ivanov zijn positie als directeur van het conservatorium, waaruit blijkt dat hij voor de nieuwe machthebbers betrouwbaar was. Ook de titels van sommige werken, de Hymne voor de Arbeid uit 1927 bijvoorbeeld, suggereren dat hij zich aanpaste aan de nieuwe tijd. De Russische avant-garde verweet hem echter dat hij de toon van 'de goede oude tijd' aanpaste aan een nieuwe politieke realiteit. Dat de 'modernisten' niet helemaal ongelijk hadden, is te horen in Avond in Groesjnie, een werk dat Ippolitov-Ivanov voltooide in 1926 maar dat naadloos aansluit bij de klankwereld van de dertig jaar oudere Kaukasische Schetsen. Dit korte werk begint met een onbestemde typisch Russische weemoed, opgeroepen door de herinnering aan een mooie zomeravond. De melancholie is mooi uitgewerkt in de hobo-solo, die ondersteund wordt door begeleidingsfiguren van de overige instrumenten. Halverwege het werk wordt de stemming verlevendigd door een dansant element dat herinnert aan Borodin en Rimski-Korsakov. Hierna keert de rust terug en wordt de hobo-solo hervat.

Serge Vasilenko (1872-1956) scheelde een generatie met zijn leermeester Ippolitov-Ivanov. Niet verwonderlijk dus dat hij ontvankelijker was voor de nieuwe stromingen rond de eeuwwisseling. Zo werd hij enige tijd beïnvloed door de muziek van Debussy, overigens zonder de revolutionaire kanten daarvan over te nemen. Beslissender voor het eigen werk waren ook in zijn geval de folklore van zeer uiteenlopende streken en de gezangen van de Oudgelovigen. Tussen 1910 en 1920 raakte hij in de ban van Oosters exotisme en de muziek van Centraal-Azië. Waardering zullen de partijleiders hebben gehad voor het feit dat Vasilenko zich al vroeg beijverde om kunst bij het volk te brengen. Zo organiseerde hij vanaf 1907 concerten voor arbeiders en gaf hij met zijn Moskouse orkest ook programma's in fabrieken. Ondanks die vooruitstrevende houding ten aanzien van het concertbedrijf, moest Vasilenko, net als leermeester Ippolitov-Ivanov, weinig hebben van nieuwe stromingen als het constructivisme, a-tonale muziek of de mechanische klankwereld van Mossolov. Zijn voorkeur lag bij makkelijker aansprekende muziek in de grote Russische traditie. Na jarenlange strijd tussen de vernieuwingsgezinden en de behoudende componisten besliste de partij in 1932 in het voordeel van laatstgenoemde groep. Kunst moest begrijpelijk zijn voor het volk en elk 'formalisme' werd verboden. Met een decreet van 23 april 1932 kreeg de traditionele stroming ruim baan en nu bijna vergeten componisten als Vasilenko, Glière en Gretsjaninov groeiden uit tot gezaghebbende figuren. Typerend voor Vasilenko's werk is overigens niet alleen de aandacht voor volksmuziek, maar ook voor Russische instrumenten als de balalaika.
Zowel de folkloristische elementen als de voorkeur voor sobere vormen komen duidelijk naar voren in het Kwartet op Turkmeense thema's uit 1932. Het is goed in het gehoor liggende fraai geïnstrumenteerde muziek met een programmatisch karakter. Donkere kleuren hebben de overhand in het openingsdeel. Dit begint in de fagot, die het voortouw neemt bij de inzet van een fugato. Het tweede deel wordt op sierlijke wijze ingezet en al vrij snel klinkt de treurige wals die de verloren liefde uitbeeldt. Halverwege het deel is er een kort en levendig presto. Voor het einde komt de wals weer even terug en het deel eindigt met het motief waarmee het begon. Uiterst suggestief is de wijze waarop Vasilenko in het derde deeltje een zonsondergang tekent met een prachtige althobo-solo. Ook hier wordt de peinzende sfeer even onderbroken door een versnelling waarin de blazers begeleid worden door de scherpe trom, maar daarna keert de bedachtzame toon weer terug. Nog zo'n voorbeeld van programma-muziek is het vierde deel, waarin een leeuwerik wordt verklankt door - hoe kan het anders - de fluit. Het kwinkelerend effect wordt nog versterkt door de triangel. Zijn voorkeur voor Oosterse exotiek leefde Vasilenko vooral uit in het slotdeel. Net als in andere delen toont Vasilenko hier een voorkeur voor de ABA-vorm. In het eerste gedeelte is een gelijkmatige beweging te horen die iets heeft van een voorbij trekkende karavaan. Hierop volgt een virtuoos tussenstuk dat door de geraffineerde instrumentatie en de tamboerijn, een haast orkestraal effect heeft. Daarna keert de stoet kamelen weer terug en de muziek eindigt met een wegstervend slot.

Buitenbeentje in dit en vermoedelijk in elk programma is Paul Juon (1872-1940). Hij werd in Rusland geboren als zoon van een Zwitserse verzekeringsman. Net als Vasilenko studeerde hij compositie aan het Moskouse conservatorium, maar dan bij Arenski en Tanejev. In 1897 vestigde hij zich in Berlijn waar hij woonde tot de nazi's aan de macht kwamen. Zijn werk is moeilijk te plaatsen: het is niet Russisch en al evenmin Duits. Door het eclectische karakter roept het associaties op met sterk uiteenlopende componisten, van Brahms tot en met meesters uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Het Divertimento in F opus 51 uit 1913, het enige werk op deze cd waarvoor het Hexagon-ensemble in volledige bezetting aantreedt, lijkt op sommige plaatsen zelfs vooruit te lopen op het werk van leden van Les Six. Het divertimento-karakter openbaart zich in de openingsmaten in het vrolijk hamerend en puntige motief met een geestig antwoord in de hoorn, dat je lang bij blijft. Iets Russisch krijgt de muziek bij de vloeiende soli, te beginnen met de klarinet. Na een kort intermezzo - een weinig diepgravend maar gracieus rustpunt - volgen de mooie lange lijnen van de Fantasia, waarin vooral de piano een ondertoon van hartstocht aan het verloop geeft. Het tweede intermezzo heeft de charmante beweging van een wals. Een opgewekt Rondino sluit het werk even luchtig af als het begon. Kortom, een divertimento in optima forma!

Niek Nelissen

Cd Russian Connection

terug naar cd >>