Poulenc,
Auric, Satie, Milhaud, Koechlin
Subtiele harmonische schakeringen
Darius Milhaud staat in ons land vooral bekend als componist van
twee werken: Scaramouche alsmede het ballet
La Création du Monde. Dat hij een karrevracht
aan grootse symfonieën, fantastische kamermuziek (waaronder vijftien
fenomenale strijkkwartetten), opera's, concerten en oratoria heeft
geschreven is zo goed als ongemerkt aan het Nederlandse muziekleven
voorbijgegaan. La Cheminée du Roi René
(letterlijk: De haard van Koning René, in dit geval wellicht ook
te lezen als het domein van de Koning René) voor fluit, hobo, klarinet,
fagot en hoorn dateert uit 1939. Deze suite is een klinkend eerbetoon
aan het adres van René d'Anjou, Graaf van Provence waarvan het hof
zich bevond in Aix en Provence, de geboorteplaats van Milhaud. De
Provence is een streek die Milhaud tot zijn laatste snik aan het
hart gebakken was en waarvan de rnediterrane 'couleur locale' tot
in de diepste vezels van zijn muziek is doorgedrongen. Hoewel aan
La Cheminée een onmiskenbaar diverterende
inslag niet valt te ontzeggen ademt deze muziek een allesbehalve
oppervlakkige atmosfeer. Het contrapunt staat bol van exquis raffinement
en het wemelt van allerhande subtiele harmonische schakeringen die
speciaal opvallen vanwege hun verbluffende kleurwerking. Bovendien
worden de bijzondere kwaliteiten van de verschillende blaasinstrumenten
op en top uitgebuit zonder dat er een compositie is ontstaan waarin
alles op uiterlijk vertoon aankomt. Tenslotte is het opmerkelijk
hoe Milhaud er in dit zevendelige geheel in slaagt te refereren
aan de muziek uit de middeleeuwen - wel te verstaan op een manier
die gelukkig niets wegheeft van de zoetsappige wijze waarop tal
van muziekvinders uit onze post-modeme dagen zulks plegen te doen.
Uitgekiende woordspelingen
Wat is het geheim van goede humor? Dat het niet, zoals bij de mindere
goden, ontaardt in pure lolbroekerij. Iemand die de humor totaal
au serieux nam was ongetwijfeld Milhauds Franse collega Eric Satie
van we de uitlating stamt: "Men zegt dat ik een grapjas ben. Dat
is niet waar, noch wens ik het te zijn." Hieraan zij meteen toegevoegd,
dat de oergeestige, spirituele Ludions
(1923) het einde markeren van een vriendschap tussen de componist
en Léon-Paul Fargue, een vooral in Dada-kringen geziene dichter.
Fargue was een kampioen in het maken van beledigingen en ook Satie
behoorde tot zijn geliefde slachtoffers. Uit angst dat sommige van
zijn stuitende opmerkingen niet zouden worden bezorgd, schoof hij
de brieven dikwijls persoonlijk bij laatstgenoemde onder de deur
door. Dit, maar ook enkele andere zaken, leidde tot een dermate
grote ruzie tussen de twee kunstenaars, dat Fargue, toen Satie in
het ziekenhuis lag, weigerde hem op te zoeken. Hoe het ook zij,
Saties vijf toonzettingen van Fargues' Ludions
('Ludion' is moeilijk letterlijk te vertaIen, maar het is uiteraard
nauw verbonden met het begrip 'ludiek' dat geestig betekent) zijn
niet alleen kostelijk vanwege hun uitgekiende woordspelingen, ook
neemt de componist tal van stijlen op de hak. Zo passeren er evengoed
verwijzingen naar de muziek van Bach, als die naar het circus (even
meent men een pre-echo uit Strawinsky's in 1942 ontstane Circus-polka
te horen!) en het varieté de revue. In het eerste en laatste lied
van de Ludions - hier klinkend in een arrangement
van Ade Boers voor sopraan-solo, fluit, hobo, klarinet, fagot, hoorn
en piano - wordt bovendien gezinspeeld op Saties taalgebruik in
het dagelijks leven: van hem is bekend dat hij nogal eens stotterde.
Satie als 'kroegenloper'
La Diva de I'Empire, (op deze cd, evenals
Je te veux, te horen in dezelfde formatie
als de Ludions) gebaseerd op een tekst
van Dominique Bonnaud en Numa Biès is een echt cabaret-lied, hetwelk
tevens onverminderd opgaat voor Je te veux.
Satie voelde zich in de Folie Bergère (hèt centrum in de Franse
hoofdstad waar de mannen zich aan vrouwelijk schoon kunnen vergapen)
als een vis in het water en de neerslag daarvan is terug te vinden
in La Diva: onder een grote hoed met struisvogelveren
gaat een klein meisje schuil, dat niettemin een echt koninginnetje
is, te weten de Diva van de Folie Bergère. Zij weet met het soepelste
gemak om het even welke snob, 'gentleman' of dandy om haar tere
vingers te winden. De muziek, vol zwierige en kokette accenten met
af en toe zelfs reminiscenties aan de Weense muziek van de Strauss-familie,
laat over de lading van de tekst geen enkele twijfel bestaan. Tot
Satie's beste vrienden behoorde ook de dichter Henry Pacory. In
1898 zocht Satie een nieuw onderkomen, omdat hij "meer plaats nodig
had om al zijn ideeën te huisvesten." Dit onderkomen vond hij in
Arceuil, de geboorteplaats van eerdergenoemde Pacory, van wie hij
tal van gedichten heeft getoonzet. Daaronder ook Je
te veux (1900), waarin Satie zijn liefde voor het uitgaansleven
andermaal van zich af heeft geschreven. Hij was namelijk een echte
'kroegenloper' iets wat hij deels uit professie deed, aangezien
hij onder meer in het Parijse café 'Le Chat Noir' als pianist in
zijn levensonderhoud voorzag. Uit deze periode is dan ook het klassieke
Satie-beeld afkomstig: een man die geheel in een zwart fluwelen
pak is gestoken compleet met bolhoed, een brilletje op de neus en
voorzien van de onvermijdelijke paraplu (Satie was een hartstochtelijk
verzamelaar van parapluies; hij bezat er tientallen van!). Je
te veux is dus een pracht van een kroeglied, gegoten in de
vorm van een verleidelijke wals van een bij uitstek zinnenprikkelend
karakter.
Vrolijke tongen
Zijn het meestal boze tongen die beweren, in het oergeestige aan
collega-componist Henri Sauguet opgedragen Trio
d'Anches van Georges Auric zijn die tongen voor de afwisseling
eens vrolijk, want het Franse woord 'anche' betekent 'tong'. Auric
voltooide dit werk voor hobo, klarinet en fagot in 1938. De titel
hangt ten nauwste samen met de menselijke tong en zeer in het bijzonder
de intieme relatie van dit orgaan met de tong van het blaasinstrument:
het riet. Als die relatie sluitend is, dan levert dat buitengewoon
spitse en rake muziek op, blijkens onder meer dit bol van de invallen
zijnde Trio van Auric. De maker slaat in
dit stuk meerdere vliegen in één klap. Ten eerste waart de geest
van de relativerende Groupe des six, waarvan Auric een notoor lid
was, door deze partituur, voorts is het geheel een wonder van contrapuntische
vindingrijkheid en tenslotte valt niet aan de indruk te ontkomen
dat Auric prima op de hoogte was met het ballet Pétrouchka
van Stravinsky, waarop in het eerste deel even vaag maar toch net
duidelijk genoeg wordt gezinspeeld. Het laatste deel is haast een
in modern gewaad gestoken barokke suite waarvan de secties elkaar
snel opvolgen. Wellicht dat de spitsvondige luisteraar er een bijna-citaat
uit een bekend Sinterklaasliedje uit kan halen.
Evocatieve inslag
Heeft de muziek van Milhaud weinig ingang in Nederland gevonden,
dat geldt nog minder voor het veelomvattende oeuvre van Charles
Koechlin, wiens naam vooral is verbonden met de vijf symfonische
gedichten tellende verklanking van Kiplings befaamde Jungle-book,
waarvan een enkele keer het onderdeel Les Bandar-log,
opus 176 wordt gespeeld. Kenmerkend voor Koechlin's oorspronkelijke
stijlgemiddelde is een voorkeur voor polytonale harmonieën - daarin
is hij verwant met Milhaud - en een grote mate van expressiviteit.
Een belangrijk verschil met Milhaud is een zekere hang naar het
verhevene en mystieke, een karaktertrek die bijvoorbeeld in een
ander deel uit Jungle-book, het monumentale
en over lange afstanden geprojecteerde orkeststuk La
Course de Printemps, opus 95 ook aanwezig is. Iets daarvan
is reeds, zij het in miniatuurforrnaat, te bespeuren in het tweede
der Deux Nocturnes, opus 32bis voor fluit,
hoorn en piano, getiteld 'Dans la forêt'. Opus 32bis is over een
lange tijdspanne ontstaan. Volgens Koechlin-kenner Robert Orledge
moet dit worden toegeschreven aan het feit dat zijn vorming als
componist juist in die periode plaats had. Vooral in termen van
het vinden van een bitonaal idioom en een rijke, complexe harmoniek
deed Koechlin ná 1903 vele ontdekkingen. Dat laatste valt duidelijk
af te horen aan die al genoemde tweede nocturne, welke aanzienlijk
geavanceerder is dan de eerste, 'Venise'. Opvallend is dat de hoorn
af en toe met een demper wordt bespeeld, en dat versterkt eens te
meer de bij uitstek evocatieve inslag van deze bijzondere muziek.
Overigens begon Koechlin ook nog aan de nocturnes 2 en 3, die echter
nooit zijn afgekomen.
Smaakvolle neo-klassicistische houding
Als er één ding typerend is voor de muziek van Francis Poulenc is
het wel een naadloos samengaan van een neo-klassicistische houding
- tot uitdrukking komend in een voorliefde voor vormen uit de barok
en het klassicisme - en een smaakvol 'ésprit français'. Van het
beroemde Sextet voor fluit, hobo, klarinet,
fagot, hoorn en piano van deze grootmeester bestaan twee versies.
De componist voltooide het stuk in 1932, maar herzag het zeven jaar
later grondig. In deze partituur beleidt Poulenc zijn grote liefde
voor blaasinstrumenten. De beide snelle en briljante hoekdelen vertonen
een zekere symmetrie, aangezien de thema's van het openingsdeel
aan het slot van de finale terugkeren. Het middendeel is een heus
'divertissement' zoals alleen een Poulenc dat kon schrijven. Deze
opzet van een fier overkomend eerste deel, een prachtig elegant
langzaam gedeelte plus een afsluitend en naar het gewichtloze neigend
Rondo waarin elementen van het eerste deel zijn opgenomen, was in
Poulencs oeuvre niet nieuw, want het Trio
voor hobo, fagot en piano uit 1926 is op een vergelijkbaar stramien
gebaseerd.
Maarten Brandt
|
 |