english font home contact sitemap search
           
Over The French Connection

Vier componisten op zoek naar kleur en esprit

Al ruim tweehonderd jaar is Parijs hèt centrum van het repertoire voor blaasinstrumenten. In weinig andere steden werd zo veel bladmuziek voor blazers gedrukt. Weinig andere steden tellen zo veel belangrijke instrumentenmakers, neem alleen al de dynastie van hoornbouwers Raoux. Een spil in de ontwikkeling van deze traditie was het Parijse conservatorium. Vanaf de oprichting in 1793 gaven beroemde blazers er les, bijvoorbeeld de hoornisten Domnich en Duvernoy. Geen wonder dat de Boheemse componist van blaasmuziek Antonin Reicha in 1808 uitgerekend in Parijs neerstreek. Door zijn composities werd het blaaskwintet – hij schreef maar liefst 28 werken voor deze bezetting - als ensemble volwassen. De eerste uitvoeringen van Reicha’s blaaskwintetten werden gegeven door blazers, die gevormd waren aan het Parijse conservatorium en daar zelf ook school maakten, zoals de fluitist Guillou, de hoboïst Vogt en de hoornist Dauprat. Vanaf deze virtuozen zijn lange meester/leerling-lijnen te trekken, die tot ver in de twintigste eeuw reiken. Sommigen schreven handboeken voor hun instrument of etudeboeken die tot op de dag van vandaag worden gebruikt. Eén van hen was de fluitist Paul Taffanel (1844-1908), auteur van de Méthode de flûte. Door zijn toedoen kreeg het repertoire voor blazers in het laatste kwart van de negentiende eeuw een nieuwe impuls. Een belangrijke stap hiertoe was de oprichting in 1879 van de Société des Instruments à Vent. Deze organisatie stimuleerde het componeren en uitvoeren van nieuwe muziek voor blazers. Belangrijke wapenfeiten van de Société zijn de wereldpremières van Gounods Petite symphonie in 1885, d’Indy’s Chanson et danses in 1898 en Enesco’s Dixtuor in 1906. Deze werken ontstonden in een tijd waarin de typisch Franse elementen zich steeds duidelijker aftekenden: het fijnzinnig gebruik van kleuren en nuances, een transparant klankbeeld, het zuiver Romaans esprit en een virtuositeit die de lichte toets niet in de weg staat. Ook talloze niet-Franse componisten voelden zich tot deze stijlelementen aangetrokken, bijvoorbeeld de Brit Delius, de Nederlander Pijper en – op deze cd – de Waalse componist Joseph Jongen.

Onmiskenbaar Frans en toch met een geheel eigen en onnavolgbaar idioom is de muziek van Albert Roussel (1869-1937). Roussel begon zijn loopbaan als marine-officier. In 1894 besloot hij zich volledig aan de muziek te wijden. Hij nam ontslag bij de Franse marine en werd leerling van Vincent d’Indy aan de pas opgerichte Schola Cantorum. In zijn latere werk zette Roussel zich af tegen elke vorm van vaagheid, maar zijn eerste composities sluiten nog aan bij het impressionisme. Een uitzondering hierop is het frisse Divertissement, dat op 10 april 1906 ten doop werd gehouden door de Sociéte des Instruments à Vent. Ongetwijfeld was Roussel acht jaar eerder getuige van de première, ook bij de Société, van het Divertissement van zijn leermeester d’Indy, maar dat van Roussel is veel gedurfder. De openingsmaten, met het ostinato in de piano en een weerbarstige figuur bij de hobo, breken met de conventies van die tijd. De bekende musicoloog Marc Pincherle stelt in zijn boek over Roussel zelfs dat deze maten vooruit lopen op Strawinsky’s Petroesjka. Het Divertissement bestaat uit vier delen, die door vertragingen en versnellingen vloeiend in elkaar overlopen. Het pittige begin heeft de aanduiding Animé. Dit gaat over in een Lent, met een schitterende fluitsolo voorzien van de aanduiding dolce. Weer verlevendigt de muziek tot een Animé en opnieuw komt het geheel tot rust in Lent. In de coda wordt het openingsmotief weer hervat, maar dan in gematigder tempo, om de muziek in alle rust te laten besluiten. Bijna twintig jaar na het ontstaan van het Divertissement werd het publiek van een festival voor nieuwe muziek in 1923 in Salzburg nog getroffen door het vooruitstrevende karakter van dit werk.
Pièce de résistance van dit programma is het Quintette van André Caplet (1878-1925), één van de begaafdste leerlingen van het Parijse conservatorium. Zijn Quintette werd kort na het ontstaan in 1898 onderscheiden met een prestigieuze prijs. Drie jaar later versloeg hij Ravel bij het dingen naar de Prix de Rome met de cantate Myrrha. Caplet begon aan een dubbele loopbaan als componist en dirigent. Vanaf 1907 was hij bevriend met Debussy, die onder meer de orkestratie van Le martyre de saint Sébastien aan hem toevertrouwde. Mede door zijn andere activiteiten liet Caplet slechts een klein maar zeer verfijnd oeuvre na, met nadruk op vocale muziek. Tot Caplets weinige kamermuziekwerken behoort het Quintette voor fluit, hobo, klarinet, fagot en piano. Het werd voor het eerst uitgevoerd op 30 maart 1900 door de Société des Instruments à Vent. De fluitist bij de première was Philippe Gaubert, ook al een bekend fluitpedagoog en componist, die het na overlijden van zijn leermeester Taffanel de leiding van de Société op zich zou nemen. Anders dan Roussels Divertissement beantwoordde het Quintette wel aan de verwachtingen van die tijd. Het vernieuwende element zit in dit werk vooral in Caplets gebruik van kleur. Het openingsdeel is geschreven in sonate-vorm. Met een grote verbreding wordt dit Allegro con brio triomfantelijk afgesloten. Prachtig van sfeer is het lyrische langzame deel. Hierin is een glansrol weggelegd voor de klarinet, die een mooi melancholieke solo heeft, waarbij Caplet noteerde ‘avec un grand sentiment de tristesse’. Op het Adagio volgt een kort maar luchtig scherzo, waarin de piano en de blazers over elkaar heen buitelen. Een groots opgezette finale sluit het werk af . De coda geeft een samenvatting van thematisch materiaal uit het eerste deel. Dit prille maar fraaie werk van Caplet werd, vreemd genoeg, in de twintigste eeuw sterk verwaarloosd. Gelukkig neemt de belangstelling voor Caplets oeuvre de laatste jaren weer toe, mede door toedoen van gezelschappen als het Hexagon Ensemble.
Met de Six Épigraphes antiques van Claude Debussy (1862-1918) presenteert het Hexagon Ensemble een interessante plaatpremière. Debussy, de belangrijkste van de vier componisten op deze cd, schreef de Épigraphes immers ‘pour piano à quattre mains’. Deze cd biedt de zes deeltjes voor het eerst in het arrangement voor fluit, hoorn en piano dat Arie Boers, de eerste pianist van het Hexagon Ensemble, in 1987 speciaal voor drie leden van het ensemble maakte. De Six Épigraphes danken hun ontstaan aan de vriendschap die Debussy na 1893 ontwikkelde met de schrijver Pierre Louÿs. Deze dichter schreef in 1895 de bundel Chansons de Bilitis, de Franse ‘vertaling’ van gedichten van de gefingeerde Griekse dichteres Bilitis. Een paar jaar na het ontstaan van deze poëzie schreef Debussy op drie gedichten de bekende liederencyclus Chansons de Bilitis. Weer een paar jaar later componeerde hij enkele instrumentale nummers als muzikale omlijsting bij tableaux vivants met een voordracht van de gedichten van Louÿs. Kort voor de Eerste wereldoorlog besloot hij zes van deze nummers te bewerken voor piano vierhandig. In de vierhandige pianoversie werden de delen voor het eerst uitgevoerd op 17 maart 1917. De reeks opent met Pour invoquer Pan, waarin een pastorale sfeer wordt opgeroepen. In Pour un tombeau sans nom mijmert een meisje samen met een dichter bij het graf van zijn moeder. Hierop volgt het nocturne-achtige Pour que la nuit soit propice. De rust wordt doorbroken in Pour la danseuse aux crotales, dat beschrijft hoe een danseres een erotische dans opvoert waarin zij zichzelf begeleidt met een crotala (een soort castagnetten). Pour l’Égyptienne beeldt een Egyptische courtisane uit. Tot besluit klinkt Pour remercier la pluie au matin, de verbeelding van een fris ochtendbuitje. De versie van Boers laat het karakter van Debussy’s muziek volledig intact. De fluit sluit op vanzelfsprekende wijze aan bij Debussy’s klankwereld en ook de hoorn kleurt mooi in het geheel. Heel effectief is bijvoorbeeld de wijze waarop de mogelijkheden van de hoorn gebruikt worden in Pour la danseuse. Boers is overigens niet de eerste Nederlander die deze muziek arrangeerde. Rudolf Escher ging hem tien jaar eerder voor met een orkestbewerking.
De enige niet-Franse componist in dit gezelschap is de Waal Joseph Jongen (1873-1953), die zijn opleiding genoot aan het conservatorium van Luik. Na veel omzwervingen belandde hij rond de eeuwwisseling in Parijs, waar hij contact kreeg met componisten van de Schola Cantorum. Ofschoon hij een eigen weg insloeg, zou Jongen zijn leven lang trouw blijven aan de principes van Franck en d’Indy. In 1905 vestigde hij zich in Brussel, waar hij een hoofdrol ging spelen in het muziekleven. Hij werd directeur van het Brusselse conservatorium en leidde er de belangrijkste concertseries. Bekendheid dankt Jongen tegenwoordig nog vooral aan zijn orgelmuziek, maar zijn immense oeuvre bevat ook tal van orkestwerken, vocale composities en kamermuziek. De Rhapsodie opus 70 ontstond in de zomer van 1922. Jongen droeg het werk op aan het Quintette de Bruxelles, dat er de eerste uitvoering van gaf in de ‘concerts spirituels’, één van Jongens concertseries. In L’Indépendance Belge van 17 februari 1923 kreeg het nieuwe opus een warm onthaal: ‘des pages ravissantes de verve, de fantaisie et de couleur, avec de délicieux effects de timbre’. Zoals de titel al doet vermoeden is opus 70 een grillig werk, met veel tempo- en stemmingswisselingen. Het begin heeft iets van een dromerige sprookjeswereld à la Ravel. De muziek verlevendigt bij het inzetten van een habanera door de piano. Deze dans loopt over in een Molto vivo, waarin het rapsodisch karakter pas echt duidelijk wordt. Rust komt er weer in het modéré, met aantrekkelijke soli van verschillende blazers. Piano en hoorn zetten vervolgens een gemoedelijk dansant gedeelte in. Opnieuw krijgt de muziek alle gelegenheid om voluit te zingen, om dan weer tot rust te komen in een langzame coda. Anders dan het stuk van Caplet werd de Rhapsodie met enige regelmaat uitgevoerd, vooral in de jaren ’30 en ’40. Toch was opus 70 in Jongens discografie slecht vertegenwoordigd en het is goed dat het Hexagon Ensemble daar verandering in brengt.

Niek Nelissen

<< cd French connection | cd's | boven | recensies >>


Cd Russian Connection

terug naar cd >>