Beethoven
Kwintet in Es opus 16, Trio in G WoO 37 en Sonate in F opus 17
Beethoven van zijn zonnige kant!
Elke muziekliefhebber associeert de naam Beethoven
vooral met de noodlotsklanken van de Vijfde symfonie, de titanenstrijd
van de Eroca of de monumentaliteit van de Negende. Kortom:
met zware muziek. Gaat het om kamermuziek dan denken we al gauw
aan de zeer vooruitstrevende complexiteit van de late strijkkwartetten
of de grote pianosonates. Zijn naam lijkt zo onlosmakelijk verbonden
te zijn met het onverbiddelijke en het allesoverweldigende, dat
je zou vergeten dat de meester uit Bonn veel muziek met een luchtige
toon componeerde. Opvallend in de lichtere en onderhoudende kant
van Beethoven is dat het bijna altijd gaat om muziek die ontstond
voor 1801 - dus nog in zijn Klassieke periode - en dat er vaak blazers
in het spel zijn. Net als Mozart schreef Beethoven verrukkelijke
werken voor blazersensemble, het oktet
bijvoorbeeld, en ook in het groter opgezette maar uiterst charmante
Septet van 1799 horen we Beethoven van zijn meest
zonnige kant.
Naast het Septet is het drie jaar
eerder ontstane Kwintet voor piano
en blazers opus 16 vermoedelijk het belangrijkste
werk uit Beethovens eerste periode. Het werk is wellicht in 1796
besteld door enkele Praagse blazers, waarmee de componist tijdens
een concertreis van dat jaar een uitvoering gegeven kan hebben van
- ook dat is onzeker - Mozarts Kwintet in Es,
KV 452. Hoe het ook zij, Mozarts werk - dat het Hexagon
Ensemble eveneens vastlegde op cd (Arsis,
AC 10-99067-2) - was in elk geval het voorbeeld waarnaar Beethoven
zijn befaamde Pianokwintet in dezelfde toonsoort modelleerde. Veel
valt te zeggen over de overeenkomsten met Mozarts opus, maar de
verschillen zijn niet minder frappant. Gaat het bij Mozart om pure
kamermuziek, Beethoven lijkt een pianoconcert in kleine bezetting
geschreven te hebben. Bovendien is Beethovens muziek op grotere
schaal opgezet, met name het eerste deel dat ongeveer de helft van
het gehele werk beslaat. De grootse langzame inleiding verraadt
duidelijk de invloed van Haydn, één van Beethovens
leermeesters. Hier en verderop in het openingsdeel, bij de doorwerking,
heeft de muziek een haast symfonische inslag en meer dan in welk
ander vroeg werk lijkt Beethoven alvast een voorschot te nemen op
de negen symfonieën die hij later zou schrijven. Net als het
eerste deel is ook het lyrische Andante complexer van aard dan het
overeenkomstige deel bij Mozart. Dit Kwintet
wordt op uiterst luchtige wijze afgerond met een speels Rondo.
De eerste gedocumenteerde uitvoering van opus
16 is die van 6 april 1797 in Wenen, waarin Beethoven
zelf de pianopartij voor zijn rekening nam. Beethovens leerling
Ferdinand Ries noteerde in later jaren dat Beethoven na het fermate
voor de eerste hervatting van het Rondo-thema een uitvoerige improvisatie
ten beste gaf op het thema. Beethoven ging zo lang door met zijn
ingelaste cadens dat de vier blazers enkele keren in verwarring
raakten en vergeefs hun instrument aan de mond zette, waarbij de
befaamde hoboïst Ramm zich zichtbaar zat te ergeren. De anekdote
van Ries onderstreept nog eens het concertante element van de pianopartij.
Het Kwintet zou zich net als het eerder genoemde Septet in een grote
populariteit gaan verheugen. Het werk werd tijdens Beethovens leven
met grote regelmaat uitgevoerd, onder andere tijdens het afscheidsconcert
van Beethovens goede vriend Schuppanzigh, die in 1816 naar Rusland
vertrok. De pianist van die uitvoering was de bekende virtuoos en
componist Karl Czerny. Na dat concert kreeg deze collega een boze
brief van Beethoven, die zich - bijna twintig jaar na zijn eigen
extra cadens - niet kon vinden in de vele versieringen die Czerny
had aangebracht. Een andere geruchtmakende uitvoering van opus
16 tijdens Beethovens leven vond plaats in de eerste
jaren van de negentiende eeuw, waaraan werd meegewerkt door de beroemde
hoornist Johann Wenzel Stich, beter bekend onder de Italiaanse vorm
van zijn naam: Giovanni Punto.
Punto (1748-1803), alias Stich, was de meest gevierde hoornist van
zijn tijd en talloze componisten, onder wie Mozart, schreven solowerken
voor hem. Als weinig anderen beheerste hij de kunst om met de hand
in de beker van de hoorn de tonen te vormen, zodat er ook andere
dan de natuurtonen gespeeld konden worden (hoorns waren in die tijd
immers nog niet uitgerust met ventielen). Punto's musiceren maakte
grote indruk op Beethoven, zodat hij graag met hem wilde optreden.
Speciaal voor hun gezamenlijk concert op 18 april 1800 schreef hij
de hoornsonate in F, opus 17. Alweer
volgens Ferdinand Ries zou Beethoven de sonate slechts één
dag voor het concert hebben geschreven. Het succes was er niet minder
om. Vanaf het signaalachtige motief waarmee de hoorn het werk opent
tot en met de slotmaat van de puntige coda maakte de sonate grote
indruk op het premièrepubliek en het werk moest in zijn geheel
worden herhaald. Na dit succes wist Punto Beethoven over te halen
om in mei 1800 met dit werk naar Boedapest te reizen en ook daarna
gaven ze nog enkele uitvoeringen. Na de vroegtijdige dood van Punto
in 1803 werd het werk één van de prominente stukken
in het hoornrepertoire.
Behalve de lichte toets en de klassieke vorm hebben Beethovens vroege
werken bovendien met elkaar gemeen dat ze doorgaans in opdracht
geschreven werden. Het gaat dus meestal om gelegenheidsmuziek. Al
deze kenmerken zijn van toepassing op het prille Trio
in G, WoO (Werke ohne Opus) nr. 37, dat de zestienjarige Beethoven
componeerde in 1786, jaren voor zijn verhuizing van Bonn naar Wenen.
De curieuze bezetting, piano (in het manuscript is sprake van 'clavicembalo'),
fluit en fagot, dankt het stuk aan opdrachtgever. Beethoven schreef
het trio voor de familie Von Westerholt-Gysenberg. Graaf Von Westerholt-Gysenberg
zelf speelde fagot, zijn zoon fluit en zijn dochter Maria-Anna had
pianoles van de jonge Beethoven. Aan de pianopartij te oordelen
moet Maria-Anna een zeer gevorderde techniek hebben gehad. Het openingsdeel
bestaat uit een breed opgezet, afwisselend en zeer levendig discours
van de drie instrumenten. In het tweede deel, met prachtige cantilenen
gebracht in fluit en fagot, komen de lyrische kwaliteiten van Beethovens
vroege werk goed naar voren. Het slotdeel bestaat uit een reeks
variaties. Juist in die variaties blijkt het gelegenheidskarakter
van dit werk. Vader, dochter en zoon Von Westerholt-Gysenberg wilden
in dit werk uiteraard laten horen waartoe ze in staat waren en met
het oog hierop zal Beethoven een solo-element gebracht hebben in
de vierde, vijfde en zesde variatie, waarin respectievelijk de fagottist,
de pianist en fluitist zich goed kunnen uitleven.
Het Trio in G mag dan misschien niet één
van Beethovens belangrijkste werken zijn, samen met de fraaie hoornsonate
en het meesterlijke kwintet geeft dit werk een
goede indruk van Beethovens Klassieke periode.
Niek Nelissen
|
 |